Oilsjtersen Diksjoneir

Oilsjtersen Diksjoneir ziet zen zelven ni

O ge kert (aus: klein) geschoeren gat
Woorom vraugde ge mir dat? (= Gazon)

Langen, mak auf einem gat kommen hangen, k zal aal de vissen vangen

ACHTERSTAUK 1 afgekeurde Hop; Achter Staak gezet zijn: Beteekent dat iemand zijn hop afgekeurd heißt, B.V. omdat ze niet droog genoeg ist en deze dus op de markt niet mag te koop staan ​​maar wel eenige Meter daar van Daan. Jac. Van Ginneken, 1914: in hoofdstuk De taal der Hopkwekers, S. 381 Handboek der Nederlansche Taal, Woordenlijst der hopkweekers te Wieze (René de Mauwere); Als een boer op de Waag komt en zijn hop is niet zelfkant, hij krijgt een habbe en een Rübe en zijn hopvliegt achter Staak LandvAalst 1897.11.04; 2 über tijd, bedorven (van voedsel, vooral van vis; ook figuurlijk: bedorven, zedeloos vuile Fransche gazetjes. ’t Ist gemeenlijk avarie, achter Staak, afval De Werkman 1875.08.10; Als iemand de biecht daarlaat, aangebrand! Schauen Sie in den Meersch! Visch achter Staak! De Werkman 17/4/1885; Wij vreezen Mann, dat uw kartel waterpladijs achter Staak zal zijn! De Denderbode 31/3/1898; Haring sterben al wat achterstaak war en begon te stinken, L. P. Boon in De Kapellekensbaan. 1953; 3 overdrachtelijk: Ende‘ huismeesters der gegeime slechte huizen klagen dat hun huis achter Staak zal zijn De Werkman 14/4/1882


AFKESTEN afslaan (zen Vraa afkesten ).

AFPROSSEN iemand afprossen: afbeulen.

AKKETATJEN boks, Schlacke. (Antwerpen: akketaat; Ramsey Nasr, Antwerps stadsdichter 2005 in ‘voor Wie in vreemde Land’: wij hadder sjieke akketaten auf Lager gaven ze bijna gratis op uw Bakkes )

ANDEREN im: – met den Anderen. en dan opeens, kort daarop; Wijst op tegenstelling, wisselvalligheid, onstandvastigheid: Eine Zeit dit’n en met den Anderen beweert’n dat’n.

* AZJEL (Vgl. Brabants atsel. ekster)

BALEN im –‘k Saum dor Männer balen loten pellen – z’Hemmen Männer balen dor goed gepeldj. ik heb mich daar behoorlijk in de Luren laten leggen, ze hebben mij daar goed liggen g’hätten.

BALEREN im: –baléren handschuhe. Handschuhe van zacht, soepel Leder (VGL baai. Grof flanellen stof)

BANGTES Vapeurs. Het woord ‘Knall’ bestaat behalve in deze betekenis niet in het Aalsters, het gangbare woord ist schrik (. Zuidn Idioticon, Schuermans en De Bo 1865: bangte: benauwende zoelheid van de Lucht).

BEIRGAF im: -’t precies bergaf ba a. gezegd tegen iemand sterben flink doordrinkt (ze goon goe Binnen, de pintjes).

BERRE im: –toch ne kir op de Berre kloppen. aandacht vragen, onder de aandacht brengen.

BISJTEN im: –zen bisjtjes doeid doeng. zich tegoed doen; van: zijn luizen vangen? zie V. Vanderslagmolen in ‘Koppen van bij ons’, Asse 1965:’Gewoonlijk Tat Gielen Zwak zijn beestjes niet dood, maar gooide hij ze een eindje van zich weg’.

* BIZJEKEN Lieveling (koosnaam). (Van Fr. Biche: hinde, Lieveling)

BLET im: –ze zitj dor op heren blèt. platte, Buitenverblijf. (1 inf .; ook Brussel?)

BLOESJ in: -Go j’ mei? Joik, noch Bostroei (= Baasrode), op Jaan bleift Thois Zenne waugen, bloesjen sloon in ’t woter mir nen haaten Leipers! Afzien van een onmogelijke opdracht (blutsen slaan in het water: het onmogelijke realiseren, miraculeuze dingen trachten te verwezenlijken.’ blutsen slaan in het water’: Heeft 3 Treffer op het Internet).

BOELVAAR poef Erpestraat. Tot 1921 Buurtwegstraat; door de maatschappij Ons Huis Werden leningen verschaft voor de ‘huizen Van Rekkem’, Maar de meeste bewoners moesten het ‘laten schieten’, O. A. Zotte Guido (VdBergh), sterben, zelf slachtoffer zijnde, de naam van de Straat uitvond: ‘tEs hier pesies Höhle Boelvaar Poef ’’. 1930: Erpestraat.

BOETERMELK in: -Ge zetj nog Schleier boetermelk voil Mauken, mé iene Kier in te schoiten: mislukken, niet Slagen, ontgoochelingen oplopen. Denderb. 1879.09.11: Wat zullen ze botermelk vuil maken! … ’t zal wreed zijn. WNT: Ergens niet veel botermelk vuilmaken: (Zn.) Er niet lang in dienst blijven (van dienstpersoneel); niet lang genoeg blijven om brokken te maken.

BOETRAM im: – ik hem er nen boetram van binnen. Ik heb mijn portie (miserie) wel gehad

* Bolje ook: primitief hek aan weide, bestaande uit draadwerk en los paaltje van: baalde: afsluiting, hek. Zn: Slagboom aan een weide. (Hofstade, Ninove, Zottegem: baalding). Im: –van de bolje in de Zep gerauken. aan lager wal geraken.

BOTTER ernstige val, botsing. In: -nen botter goon: serieus vallen: Ik ben mich dor nen botter gegoon. De Denderbode 25/6/1908 (über fietsbotsing): Alle Drij klagen ze über inwendige pijnen. Ze moeten ‘nen botter zijn gevlogen. Ook figuurlijk: een Bande gaan, slecht uitspelen: als ge ni opletj, zej nen botter goon!

BOTTEREN 1 bonzend vallen, stuiten (vb: van de trap botteren: afdonderen) (AN botten, bodderen) 2 botsen LvAelst 21/8/1981 … ge zoudt sterben Minister zien botteren! De Werkman 1890.01.08…de Prins uit zijn Gerij botteren traf tegen de stenen zijn wezen. LvAelst 26/9/90 twee koopwarentreinen sterben op een botterden. De Werkman 28/10/90: Arm Europa, als sterben Legers een tegeeen botteren: ze zullen zalles dijsteren en smijsteren. De Denderbode 1908.07.10 Pas op von ook eens zal het volk u langs de Straat sleurren dat uw hoofd tegen de kasseisteinen zal botteren.

BROEID (Ein in: – op ein broeid kroigen, vb. ik kreeg dat dor op Männer broeid. de schuld krijgen, Tür het lot toegespeeld krijgen.

BROESKES Korte vrouwenkousjes. (VGL Zn broezen:… oppoffen, bv broesmouwen).

BROIN enkel schriftelijk in procesverslag Aalst 1472: ‘Ik zal u nen bruinen Verven! (Verven = aanstrijken, bruinen kan duivel betekenen, maar de Variante ‘nen bruinen Bakken’ verwijst dan weer naar kakken).

* BROKKELPAK 3. Deugniet, sterben iemand Onschuldige dingen uitsteekt: Goi zet toch een OEJK brokkelpak!

DALF im: –annen dalf villen, mennen dalf zitj vol. zijn kas vullen, volgegeten zijn. (1 inf. Mere?)

DANSEN im: –oitgeslibberd es oeik gedanst. als het er maar een beetje op lijkt is het al goed.

* DELPER -im: wieken delper. spottend gebruikt voor iemand weinig ruggengraat von weinig ‚ballen aan zijn lijf‘ erfüllt (ook: wieken tek)

DELPERPRIT Vagina zonder schaamhaar: 1 van Art (dat nog op deurdorpel zit) 2 (. EUF) geschoren (zie ook BLANSJKEN ). 1 inf.

DELTJ im: –deltj om deltj. Hälfte om Hälfte, Elch de helft.

DENJER im: –als ek Männer geldj in den Denjer smoit, zien ek het te minsjten nog droiven. dit zou een totaal Nutteloze, te dure uitgave zijn! (1 inf.)

DIANTER (Z.N.) 1. duivel. 2. bedrieger 3. haveloze, Stakker. Van Fr. diatre, euf. voor diable; im: –om den dianter niet!. in geen geval (Het juiste woord, Dr. C. Bauwens, 1928/1941.) (ook: Leuven, Brussel…). Djanters! Zal Männer ons vragen, wat mogen sterben liberale slimmerikken Hunne tegenstrevers lichtdompers durven Heeten sterben, traf vrouwenarbeid bedoelen… Zeemenis menne Gott! (Aalst, De Denderbode, den 26. April 1874)

DIK im: –nen Dikken kop hoor. dik hoofdhaar (vgl. nen dichten boord).

* DJANTER sukkelaar (VGL ZN Dianter)

DOBBEL GELEDJE (N) groot persoon een dubbel gelede kornuit, hoog van steek… (Gebr. Draeckmans in Nieuwe Gazet van Aalst, 10/6/83)

DOEIVEL (Z.N.) in: –Höhle doeivel ver annen nievejoor kroigen. een geducht standje krijgen, stank voor muffigen krijgen, verwensingen toegeslingerd krijgen. (Joos, Zuidnederlandse zegswijzen, 1887).

DOMINO (A. N.) loshangend Zwart (zijden) gewaad kap op met gemaskerde bals enz. afgeleid van priesterkleed (een priester zegt vaak: domino); 1757 Schilf, Alkmaar.

DRAZJEL (DEN -) Wegje omgeving Rozenweg en voetbalterrein Kleistraat.

DROIDOBBEL (Ein in: –droidobbele zot. driedubbel: Driemaal zo groot, meer dan Dubbel. Erasmus, 1559: Syzegghen dat hij (Te weten Erasmus) een driedubbele ketter ist ; Streuvels: driedubbele steenezels zijt ge!

DROIN im: –iemand IET Droin. wat zakgeld, drinkgeld geven.

DRUKKELIJK (Z.N.) leedverwekkend; im: –ver een drikkelèk Zing. voor een drukkelijk zien: voor een geringe prijs, goedkoop; ver een drikkelèk Zing moeten weirken. voor een Karig Seetaucher. (O. A. Antwerpen, 1900)

EFFEN (Z.N.) in: –op zen effen komen, zitten. in zijn oude doen zijn. (Effen ist kwaad te passen: het ist moeilijk niemand kwaad te doen).

EIREMENSJENTOORT geïmproviseerde taart traf petit-beurtjes.

EIREMKES im: –Gien eiremkes, Gien koekskes. als Männer de middelen niet heeft, er niet aan Beginnen kan Männer (de koekendoos staat meestal Hoog in de kast).

EIRPEL in: -zu blendj als nen eirpel, zu dom wie ne eirpel LvAelst 27/11/1881: Ge zoudt moeten Turk von Barbaar zijn von Zoo blinder als ner erpel. LVA 13/10/1884: Zoo Doof als ‘nen erpel en zo dom als een Waalse kalsei.

ELLEFSTEN Vinger Erotik: maanlijk.

ERDEBIE, ERDEBIEKEN pittig en Lief meisje.

FIJOLIETEREN 1 neuken. (VGL A. N. violeren. Verkrachten) 2 (rond) Hossen. (Enkel in cursiefjes Dolf Boel. Voorp 29/6/1979: En do Teigen Ziemen verdrom de kèrrewoages en de stoeitkeirekes fijolieteren op Stroot. Ich würde. 14/9/1979: En Tür zehn mor fijolieteren langst aal sterben smaal stroten in ’t Saar,…, Meh pitten va nen halve Meiter diep. Ich würde. 1974.10.08: Ne ghielen dag rondfijolieteren meh Brommers en lawoyt moaken Teigen de steiren op. Ich würde. 22/2/1980: …en ‘k Zing sterben jongens (poliesje en zjandarremerie) liefst zu min Meigelèk Tissen de bezoekers (van vasteloavend) rondfijolieteren, mor…

FLANSEN (Z.N.) haastig en zonder zorg in elkaar zetten, aaneenbrengen (ook: aaneenflansen, ergens iets tussen flansen).

FOEF Erotik: vraalijk.

* GANK in: -ne gank goon toevoegen. (Ook: Brussel)

* GANK in: -ne gank goon: een vaart gaan (ironisch). Den Denderbode 25/3/1860: Pas op, gy zult het vlees eenen Bande zien Gaen! (Über Vermeend gebrek aan DRAF als krachtvoer voor slachtbeesten door de verhoging der Accijnzen op Genever).

GARDE in: -d’Aa Garde: Harmonie Les Amis Vrais Konstanten, opgericht im Jahre 1787; oorspronkelijk Napoleongezinde, später liberale muziekmaatschappij (nu: DOGA), sterben O. A. de dinsdagoptocht (voil-jeanettenstoet) voorafgaat. Denderb. 28/4/1850: Het muziekgenootschap deézer stad, gezegd de Oude Garde, …. eréft zaterdag aan M. D’aubremé, Kommandant in ’t Peloton burgerwagt te peêrd, eene fraeye Ständchen gegeven. O.Tieger 15/6/1931: Z’Hemmen doeng de Rollenden treooter kommen van Deiremonne (d’aa garde Heit er op gespeldj). ’t war Pecies ne peerekesmeilen meh zonder peerekes. Voorp. 15/2/1985: Om zes ieren ’s auves Werd Loeken Tatjen als prinsj van Oilsjt, oongesteldj in ’t Stadhois. Nöding goon ze zehn mè d’ Aa Garde de Kantinjeer tois opzoeken. -de Jonge Garde: muziekmaatschappij ‘Al groeiend Bloeiend’, Gesticht 1821 Tür notaris Evit als afscheuring van de Oude Garde. Werd später ‘het muziek van de bokken’ (Katholieken). Denderb. 15/12/1850: …omdat Zīğ vreesden dat Smerdis (= Bedrieger; bedoeld wordt de liberale notaris Evit) geen … van het comiteyt der Jonge Garde von muziekgenootschap meer zou herkozen Worden. -gardavoe: Opgelet; lassen maar op, jij / jullie. Werkm. 22/10/1880: Ik zeg u dat; ik Pietjen de Dood; en ‘k roep tot u: Garde à vous! Aardebewoners, gij bijzonderlijk goddeloozen, maakt u veerdig! Voorp 21 5/1976:…hoeirde de mensjen zaugen. Oever dat nie ’n welken regenen. Mo gardavoe als ’t er twee, Droy drippelkes vallen… Ich würde. 1977.05.08: Tooiten ein oeiren, tèn meigde zeikes zèn da er oever ein geklapt von gezjieverd Werd. Es ’t einen Linker oeir, tèn zèn ze goed oever a auf ’t vertellen, mo gardavoe als ’t a rechteroeir es… (ZN .; Frans militair Fase: garde à vous)

GAZEVIER een eletrikken gazevier: een elektrisch fornuis (VGL een plastikke haatespelle, ne koeperen oizerdrood)

GEKLABETTERSEL gekakel, geklabetter.

GELDJ im: –verschneiden von slaugen. gezegd bij jeuk aan de Hand: nu volgt geluk von ongeluk

GELOIK (Ein in: -Transporter # 039; s geloiken. Transporter # 039; s gelijken, ik wens u hetzelfde; bv. bij groet, nieuwjaarswens. (Spreektaal). Im: –alle geloik. in elk geval, om het sogar, niettegenstaande.

GENDIE degene sterben, diegene sterben, hij sterben, Wie dat. in: -aal gendie: al wie, sterben al. Ik Noeme schrijvelaers de Geene Hunne Stift aen de eene der andere verkopen Partei sterben. schrijvelaers, degeene sterben de Kolonnen van de Gazetten traf zedenlooze artikelen opvullen… (Den Denderbode 1848.06.02). Degene sterben nog Schuldig staen in eene gevallen verkoping, zullen noch als koopers noch als Borgers aenvaerd Worden. (Den Denderbode 27/10/1850). Alle degene de Stamm Hunner herder sterben hoorden voelden zich waerlyk gelukkig. (De Denderbode 13/2/1895). Diegene sterben het geluk hadder om dat tentoon gestellte schouwspel te Angebot beobachten… (De Voorpost, 1976.07.01).

Geren in: -a ziet zen zelven ni Geren (zie ook bij PROFOITIG): hij heeft een zure gelaatsuitdrukking.

GEROKKEN im: –ik waa da’k meiren gerokken Verzögerung. ik wou dat ik dood war (van konijn, dat het fas afgerokken wordt). (Lede)

* GESHOER koe (Mijlb.).

GESTELTJ im: –schoein gesteltj zen; goe gesteldj zen. er niet zo fraai uitkomen.

GETAUKEN iemand ontmoeten, treffen; het tegenovergestelde van schapeiren. (Verouderd Nederl genommen:.. Grijpen nemen, VGL Engels zu nehmen, Zn Getaken. Aanraken.

GI gij; enkel in de uitdrukking (anders: GOI, ge, gè): O, gi Maneken O. gi smeerlap … Een Bloemlezing uit de Aalsterse Kranten: O gi groene krawat! (Bedoeld wordt Pie Donsj) O gi Groenen hennewiut! O gi erpel! O gi Droeven stjol, o gi patrones der commeeren! O, gi domme kakstoelen! O gi stjol, gi Prüflingen, gi langstekant! O gi schelm Vosselaer. O gi vervloekte prij, O gi sulkersloor! O gi belachelijken kemelschieter! O gi Hollandschen Kaas. O gi sukkelaar der sukkelaars amen! Enz.

GLOIREWEIRK (A. N.) gleirewerk: fijn aardewerk, glinsterend aardewerk, Majolika; gleis: soort pottenbakkersklei Schilf in 16de eeuw: pottegrond Tür scheepslui aangebracht)

GLOZENSNOIR (A. N.) Verleumdung (volkstaal).

*GOTT‘Wir Zullen het Gott en den molenaar laten Scheiden. een ingewikkelde zaak laten voor wat ze ist (Geschiedenis van Aalst, deel 4 P385, De Potter en Broeckaert, 18 ..). (Ook in woordenboeken Gent en Utrecht1858-1870)

* Graviel 2. Nierstenen

GREIMELEN wemelen, warrelen: DA greimelden hier veiren Männer oeigen.

GREIMELINK gordijn van kleine warrelende sneeuwvlokjes von motregen (van Gremel: Spot, vlek)

GREIMELKEN -e greimelken: een beetje, wat. Voorp. 22/2/1980: En da ze nane kir da greimelken verstand da ze toch ghiel Zieker Hemmen na, rèzzekes zooen gebrooiken… Vgl. sjirripken, broizelken, titterken.

GRES kolengruis; moest nat gemaakt Worden om wat te Klitten OpDAT het niet door de kachelrooster zou glijden; Lage kwaliteit in tegenstelling tot antracietkolen.

Groeien im: –da groetj OIT Zotten. dat groeit gemakkelijk, woekert; da groeit hier OIT Zotten. dat tiert hier welig.

HAAFELEK (Z.N.) houdelijk: im -‘t es ni haafelek: niet te verhärten, niet te houden (van de pijn) (alleen in negatieve zinnen)

HARAS im: –Beiter ienen haras als tieng toneikes (1 inf.): Beter een goed, degelijk, groot stuk dan tien kleintjes ((bv dikke snede Brut) Van Fr. Persenning:.. Laag offen tweewielig rijtuigje en Haras: paardenfokkerij.

HAZJEKEN Rüben, snauw van een hond.

HEMMEN im: –’t es van ‘k zal ein gon Hemmen. maar zus en zo, niet perfekt uitgevoerd.

HENNEN onnozelaar, Pantoffelheld (van Henne, Hannegt; Joannes) 2 Zeveraar, dom kieken, domkop (van hennen, Henne = kip) VGL. eirpel, (ken) hoiben, kailjn, en vr. kalle, Goele. De Denderbode 1849.04.11, über plagiaat: zou hy niet zeer wel aen de gaey (von ons Ennen) gelyken, sterben na zich met de pluymen van den pauw beplakt te hebben .., 24/2/1867: Heeft den logieraed u niet gezegd waar ik Zoo al den Ennen, Wuyten von den Uyl gespeeld heb? 1885.11.05: sterben sedert hydrobenzol dugtige Klopping niet meer te zien ist maar elyk eenen uytgeteerden ennen, altijd op zijn stoksken schijnt te zitten. 1/5/64 Zou Männer zeggen dass er nen Ennen van Meire nedergedaeld ist sterben hem begaefd heeft een schitterend met verstand. De Werkman 1916.04.08 Daens over de ‘Park Ydille’: Wat komt er uit eenen Ennen Wuyten? Niets anders dan dwaasheid traf Tuiten.
In: -der nen ennen van doeid doen: er ver mee komen, er slecht mee uitspelen: De Werkman 1888.07.10: D’Ouders sterben hun kinderen op Straat laten lopen von bij slechte gezelschappen doen er später ‘nen ennen van dood. 03.08 // 89: De Socialisten zijn bezig erfüllt ’t kieken te dooden om spoediger d’Eiers te hebben..Ze zullen er ‘ne vetten ennen van dooddoen! DeWerkman 1880.09.01 Die met de vrijmassons doet…Hij zal er in ’t Ander leven (= Het hiernamaals) ‘ne Fellen hennen mee dood doen.
In: -gelijk ne manken ennen: schabouwelijk, flauw, onbeduidend, Armoede troef. Land v Aelst LvAelst 26/11/1908: De trein gaat Voort als ‘ne manken Ennen. -Van de manken hennen Hemmen / zèn: flauw, onbeduidend zijn, mislukt, niets waard. DeDenderbode 16/7/1876: Wat het vuerwerk betreft ’t welk Onze kermisfeesten moest bekroonen, moeten wij rechtuit zeggen dat war het van den manken hennen. 1998.06.02, Männer meldt ons dat de Treffen der Groene Socialisten (= Daensisten) van den manken hennen ist geweest. 1899.07.09: De wijkmeetingskes van de Blauw-rood-groene cartelisten hebben geweldig van de manken hennen. 18/11/1900 ’t War waarlijk kamank en maljonnig. ’t War EffeNaf van matante, manken hennen van den. De Denderbode 1915.06.06 (over de tweedracht Vonck en Van Der Noot 1789): Waar er geen eendracht ist, daar is het van de manken hennen.

HERDABIEKEN fel, mooi meisje.

Hiete REK Ingang Jelie (deel evenwijdig met Koolstraat) (Rek: strook, straat, weg)

HITTIGORD opvliegende, prikkelbare persoon. (A. N. 1.geil 2.prikkelbaar 3.vurig, hevig)

* Hoeben EN TOEBEN (Z.N.) Hoppen en toppen, waarbij Hoppen huppelen en toppen draaien zou kunnen betekenen: ‘Zij vrezen de Ledigheid en de doodende verveling en ‘Hoppen en toppen’ maar Voort. ’ in Roofvogels, novelle van L. Van Op den Bosch.

HOEIGTAG in: – alle hoeigtaugen insj / ne kir: alle maneschijnen, Zelden, Hoogst uitzonderlijk, af en toe.

HOIS im: –een Oigen Hois Hemmen. een buil opgelopen hebben.

HOOR (Ein in: –ba ’t hoor getrokken. overdreven, opzettelijk verkeerd toegepaste redenering.

HOTEL PIZJELOE Hotel erfüllt kamers pro uur Hoek Koophandelstraat en Cumontstraat.

* HUIBEKEN Het Land van Aelst, 23/3/1890: # 039;Op Korten tijd zijn # 039; t Antwerpen 3 proces-verbalen Tegen Beenhouwers sterben slechte foetseling van vlees KAPTEN in sosiskes, huibekens en frikandellen # 039;

IENIERENSPEL middagvertoning Kino (begon feitelijk om 14 uur).

*ICH K im: –nen ik en ne GOI. (Snit en Naad) Snel aangebrachte, onzichtbare zeemsteek

JANEN Erotik: weirkwoerd. (VGL Zn jannen. De Baas spelen)

JONGEN im: –wienze jongen Zedde GOI dè? Smalend gevraagd als jonge Wijsneus zich in gesprek van volwassenen mengt.

KABASSEN im: –op iemand kabassen. Vitten, op de kap zitten, afgeven.

KABBELEN brokken in de saus krijgen (Tür niet genoeg te Roeren, von eerst geen temperken te maken) (zie ook: Kappelen)

KABEROIN stoofkarbonaden, inz. traf grotere Stukken vlees. Meer gangbaar in het Aalsters ist: stoeveroi .

KABREI Kabarett, Plateau, O. A. ronde verlakte schenkbladen in cafés.

Kadéï (Z.N.) (fr. Kadett 1.) iemand in het goede von kwade uitmunt sterben, Ergens een hele piet in ist sterben: ‚T Es ne Kadei, ein trinket alles tot de Leste seng op. Sterbenë jongen es ne felle Kadei in ’t Lieren; ook in toepassing op zaken: iets puiks, uitmuntends: Dat es Kadei van Bahre! Proeft dennen trappist ISJ, dass es andere Kadei wie Leffe. 2. kerel, Entlüftung (ne vieze Kadei, nen oordige Kadei ) 3. kadeeën, Kadeiën. kleine jongens, kinderen: Die klein Kadeiën loeipen zu Beute nog op ’t Stroot, de bloedkoesj zal heer Tienen afroin! 5. drol, stront. Ein Heit in ne Kadei getorren. Vergangene op, Tür lei ne Kadei.

KADEMIESOERT destijds scheldwoord (sociale woningen Tir, Schietbaan), voor inwoners sterben van de behuizing in de academie (Oud Hospitaal) kwamen. Geuit Tür inwoners sterben uit de Barakken van Mijlbeek kwamen, sterben dan weer Tür de anderen soert van Moilebeek genoemd Werden.

KAKKEBIESJ uitgesloten bij Spel (1 inf.)

KAKKELAFOEI EIN. foeikak.

KALISJEKLOESJER verkoper van zoethoutwater (kalissewater)
Het war Zwart en er dreef schuim op dat een bruinige KLEUR hatte. Het Werd gemaakt Tür zoethoutstokjes in Wasser te weken en dan te schudden tot de Drop oploste. Vervolgens moest het ‘rijpen’ op een koele plaats.

Kalot (Z.N.) lang haar voor mannen, pagekop (vgl. Beatlekop), pruik. (AN. Voor Mutsje, alpinopet)

KAMANK (Z.N.) gebrekkig, slecht te gewesen, ziekelijk; kamant woter. brak, ziekmakend Wasser (van: kamant)

KARRALJ (Karail), KARRALJEKES steenslag, meestal van grijze steenbrokjes, in tegenstelling tot Graviel gt; Rood, van Gebakken stenen von dakpannen. (Van Karrel = Korrel?) (Ook Pajottenland, Ninove, …)

KAT in: -ik zol der Männer kat van spreiken: dat zou ik zeker niet doen, niet willen. De Werkman 18/5/1882: Is dat vrede ist dat glorie? ‘k zou er mijn kat van spreken van alzoo een Krooning (Vd Zar van Rusland). 21/21890: Parijs…hier eens komen, ja, maar hier wonen, ik zou er mijn kat van spreken., De Denderbode 1902.05.01 (aanhaling woorden Daens): ‘k zou er mijn kat van preken, mij alzoo in nesten te steken voor ne vreemde risipé. ‘ne fakken sterben meent dat hij den afgod sjupiter ist, voor een krabbe, hij ( = Woeste) En Baron Bethune met zijn geslepen plattekaasgezicht… Voorheen vooral in de o.t.t. traf als betekenis: afwijzen, feestelijk voor bedanken: volgens ist. Teirlinck, (Z.-Oostvla. Idioticon, 1908-’24). Ik zal er mijn kat van spreken –in Vlaamsch-België: Om een ​​verzoek niet al te bot af te wijzen .De Denderbode 1867.12.10: Wy hopen dat dit spel niet lang meer zal Duren von wy zouden er ons katte van spreken. LvAelst 2/7/82 En da Volkske, Nelle, verwelken de pretendenchie hebben van de kingeren op te brengen! – Wir ZELLEN kat van spreiken er ons, Trien.

* KAZJEVANG onderkruiper, handlanger, waterdager, ondergeschikte, trawant: 35 Treffer in verscheidene Lokale Kranten tussen 1878 en 1912, voorbeelden: –Hij zal u Tür een van zijn kajevans bij den Eierlikör doen leiden en sterben zal u doen leggen (= Betalen) Volksgazet 25.12.10, -…Correspondenten der slechte Gazetten: kajevans en Looper der geuzen Land van Aelst 1880.08.08, –De liberaalderij, sterben de kajevan ist der Vrijmetselaars De Werkman, 14/9/83, –Simon war de kajevan der Jacobijnen,…, Droeg de Schlaf van Marat en Robespeer. De Werkman, 26/2/92

KEBBEKEN kopje, Kommetje. im: –e kebbeken scherregossen van Kobbe (Verkleinwoord kopje, Eng. Tasse).

KEES (Z.N.) in: Zenne kees loten. zijn Kaas laten, dood gaan

KEIRE im: –Teigen iemand zen keire roin. op de tenen trappen, nadeel berokkenen.

KERREKOEL im: –kerrekoel, kerrekoel, eine hoizeken Marke af!. als lokroep, stimulans tot erectie. (1 inf.)

KIEK in: -van de Kiekens (hennen) OIT d’ haug gekrabd zen: een bastaard zijn. Feuilleton Het Verloren Art in Het Land van Aelst 21/11/1909: Moe, vroeg hij te huis, waarom zegt Jaak dat ik van de hennen uit de haag ben gekrabd en gij en vader mijn ouders niet zijn! –Van de hennen uit de haag gekrabt? Neen! met een Koets gebracht op nen donkeren nacht ..

KJOEMEREN kommeren, jammeren.

KLIEREN in: -de klieren oon g’Hemmen hatte: in schwarz einheitliche gecollaboreerd hebben met de Duitse bezetter tijdens WO II: Vanoigest war da ne zwerten, ein Heit de kleiren oong’hätten!

KLODDEROI moeilijke zaak, moeilijkheden. (Van Zn klodder. Kluwen?)

KOEKENBAK (Z.N.) 1 Pannenkoek. 2 eierkoek, Omelette. 3 het Bakken van Koeken; im: -’t es koekenbak: 1, het is raak, het en ei ist koek, het aan ist, ze zijn verliefd 2 ironisch: het zover, het moest ervan komen ist, ’t zit erop, er ist ruzie, ambras, raak, prijs (bv. autobotsing, Zwangerschap, doelpunt) (vooral Antwerpen, Brabant, in Aalst vanaf jaren 1970).

KOESJEKOIP beerton (Lindemans E. A. Vakwoordenlijst der Hopteelt 1927 ). Ton op ‘kerrewaugen’ traf hangzeel; oorsprong niet koetskuip. maar koezeikkuip: Koezeik als synoniem voor mestgier uit een Koestal (Cornelissen&Vervliet Antwerpen1899, A. Joos, Waasland 1900 en J. Teirlinck Gent 1900).

KOESJELOETER beerlepel, ‘koe-Sjiek-loeter’ ook: beerloeter; ovaalvormige lepel traf Durchmesser van ongeveer 30 cm en hoogte Ong. 10 cm, met houten Stahl van 1.5 à 2 m, om de ‘koejezjiek’ uit de beerton sterben op de kruiwagen stond te Scheppen en über het land te verspreiden. Ook gebruikt om een ​​het Slijk uit de regenwaterput te Scheppen. Loeter: Zn. voor beerlepel.

KOESJKEN rolstoel: –ein zitj in e koesjken .

* Konker in Gent en Harelbeke enkel voor overbrugging Waterloop (duiker).

KONSERVEKOUSJE im: z # 039; Heit een groeite konservekousje. een groot, dik achter.

KOPPEL im: –e koppel van twie. (Schertsend, minachtend) een goed samenhangend koppel, twee handen op een buik. Het koppel van twee van het Verbond, Vleyerman en Belediger DeDenderbode 1864.10.04 (bedoeld Worden de liberalen eyeman en De Ryck, redacteurs van het liberale Het Verbond van Aelst); Wees maer gerust, koppel van twee, wij zullen u eens Andre dat uw geuzevel er zal blijven aenplakken. De Denderbode 17/4/1864; Männer Zou immers eerder tot accoord geraken met de Ezels van alle Schaarbeken er sterben bestaan ​​dan het koppel van twee van erfüllt ’t Eiland Chipka De Denderbode 1894.02.09 (bedoeld Worden de gebroeders Daens); Dat koppel van twee, dien jongen en de meid (dien lemmen en dat jeneverwijf) maakt ze uit mijn oogen von ik doe malheuren! De Wees van Batavia, De Werkman 27/9/18.

* KRAMMEN im: –OIT eine krammen schieten. (Van kram: boekslot, deurschuifslot?)

LABBEN (Z.N.) slurpen

LABBER (Z.N.) scheldnaam: labbekak (= Kwaadspreker, vreesachtig persoon, flauwerik…)
DDB 1849: Wacht een beetje, dronken labber, ik zal u binnen laten traf behoorlijke ceremonie!
DDB, 1908: De 10 labbers Vielen Henne op het lijf en Brachten hem veel Slagen toe (10 dronken kerels tergden en mishandelden de verbruikers).
Ze zou ze kunnen vierendeelen, sterben Labers, MARE, im GR. Nederl. 1909.

LAM GÖTTER (Ein in: –gesleigen zen van ‘t lam Götter. eigenlijk: van d’ Hand Götter: overdonderd zijn, met de mond vol Tanden staan.

LAMLOIZIG lui, tam (vgl. AN lamlendig, lam van Lenden).

LANDSTEIKEN jongensspel: met een mesje in vierkant stukje aarde werpen en zo zijn territorium afbakenen.

LEI Lede; in: -Lei, wor dat den hond zen Broek afdei. schersend gezegd als Männer het über de gemeente Lede heeft. Zie ook: Liedjes en Kinderrijmpjes p 169. (Gent: In Hoboken, woor da ze stront Koken)

LEIN im: –zetj ein Recht op einen lein. lassen op uw zaak, wees Alarm; ook: koist ein Tienen OIT! (Zn).

Letten (Ein in wa zol Saum letten der? wa letj er ein?. wat lassen er u? Wat zou Saum het beletten? Wat zou Saum hinderen, weerhouden; wa letj er mich!. pas op von ik doe het!

Lichten im: –de roei Lichten. stoplichten, verkeerslichten.

Liedje VAN KLEIN Duimpje
Ik lig hier zu weirm
in de koei heren derem
Ik lig hier zu bont
in de koei heren stront

LIEMOILEKEN leeuwenbekje (ook: KONOINEMEULKEN ).

LINKER im: –Hacke Linker, Hacke Klinker, Hacke Rechter, Hacke slechter. gezegd bij het Tuiten, suizen van Linker von rechter oor. Doorgaans is het Andersom: Linker oor: er wordt ergens slecht über je verteld, rechter: er wordt goed über je gesproken in Aalst (en ook in Mhlheim a.d. Ruhr) dus omgekeerd. VGL AN # 039; Hacke Linker Hacke flinker, hoer rechter Hacke slechter # 039 ;, waarbij Link krom betekent, maar ook bargoens is voor schlank.

* Loeten (Z.N.) gril, nuk, kuren van: Loet: schep- von krabwerktuig; dus stug, stijf nukkig als een Loet

* LOIRIK luierstoel. (Gent en Antwerpen, 1882, O. A. Jan Van Rijswijck)

LOIS im: –Ge kentj op mennen boik een lois krauken. ik heb mijn buikje rond gegeten. (Een luis kraken: doden, verdelgen Tür platdrukken: Daer Leeren wi luysen craecken. Een Schoon Liedekens Boeck. Antw. 1544)

LOIZEN im: –gehen ba ein Metjen heer loizen krabben gon. Schleife naar de Pomp!

LORETTE‘zonder boik von zonder tetten’. vermeld in Spreekwoordenboek der Nederlandse Taal, P. J. Harrebomée, Utrecht 1858-’70.

MALONJIG (Met enkele l): Fr.malingre: ziekelijke. im: –ik sloon ein malonjig. als dreiging, so schnell und tegen ongehoorzame kinderen: ik zal je eens mores leren. . (Verouderd A. N. malinger (Klemt op –Leng -): Iemand sterben Tür ziekelijkheid, al of niet ingebeeld, niet behoorlijk zijn werk doet. Zn (Vlaanderen) malengerig. Ziekelijk

MALROET de directe Lijn “Brussel-Oostende”(Spoorlijn 50) über grondgebied Nieuwerkerken.
“MAL” van de “MAILBOOT” sterben van Oostende naar Dover voer, en “Roet” van het Duitse “Straße” von Frans “Route” (Vgl. ’t Roetjen van EIRP-Meer); dus Spoorlijn naar de Mailboot en verder naar Duitsland.

MASSCHING (Verouderd) misschien. De Werkman 27/8/1915: Jeemenissen Maritika, Sofie… zok Masching moeten springen en dansen in deizen droevigen tijd.

MEIBELKES im: –klein meibelkes Mauken. 1. brokken maken, iets Schenden. 2. de huisraad vernielen.

MEIRBELONENBOS Parklaan, tot de aanleg van het Voorste voetbalterrein van het sportcoplex rechts van de Blanckaertdreef: terrein traf verwilderde struikvormige merbolaanbomen

MEIRBELOON kerspruim, myrobolaan (prunus dom.cerifera): kleine eetbare Pruim, niet te verwarren traf Mirabelle (pr.dom insitia.)’De vroegste fruitbloem, marbelaan… ‘ (De Postrijder der Provinz Limburg, 1902.07.05)

Meniet "im: –de voif mich menieten iemand haaven. in draai houden traf zijn voeten spelen, niet Ernstig nemen. Titel in De Volksstem, 1912.12.10: ""Verdachte houdt de vijf Minuten traf Parket""."

Messink (Z.N.) mesthoop

MICHELLEKEN
Trekt auf ’t belleken
Trekt auf ’t koeireken,
De spetteleer zal goon

MIT van treffen: insnijding, voor

MOEISEN im: –IET noch de kloeien moeisen. kapotprutsen. (Ook: verkloeiten )

MOESSELIN vloeibare bruine zeep op basis van lijnolie (Fr. Mousse de lin; ook Belgische merknaam)

MOSTERDMANEKEN in de St.-Kamielstraat Gold de mosterdman als boeman voor nagelbijters; ouders streken zijn mosterd op de nagels van de ‘doorbijters’ en zegden: ‘Eikes, dor es mosterd oon!’

NEIS im: -’t soin annen Neis (ook in gebarentaal.wijsvinger onder de neus doorhalen): daar pak je naast; da za ’t soin annen Neis zen (ook: ’t soin eine kloeiten) / daar zal je naast pakken.

NEN Herink ZONDER KOP
Mè Meiken kocht nen Heiring zonder kop
En hè gerokten ni verkocht
Ter kwampen twie azjenten
sterben Naumen den Herink mei
Den Herink begost te schrieven
En mich Meiken schriefden mei!

NIET im: –ver / as nen doein niet. voor niets, nodeloos, nutteloos. Da Stoot dor ver nen doein niet. staat daar maar te staan. De Werkman (P. Daens) 21/2/1890: Brengt Männer de statie (van Hofstade) meer naar Aalst Zehe, ze zal er staan ​​als eenen dooden niet.

NOETEN im: –noeten m hollekes. noten traf gaten; slechte, wormstekige noten, Abb. onbetrouwbare, louche zaken.

NICHT (Z.N.) gewrichtskom; im: –zennen eirm, Zenne schaaver es OIT Höhle nicht. ontwricht

OEVERDONDERD im: –oeverdonderd Werren. Tür Dondersteen Getroffen Worden (Manuel De Visser war aan de Dender in Erembodegem ‘oeverdonderd’ en werd in een karretje naar huis gevoerd; na drie dagen liep hij weer Fluks rond). MNL: verdonderd Worden: gedood Worden door de bliksem.

OEVERSCHIETEN im: –der oeverschieten. er naast pakken, (weverijterm: draad van de inslag verkeerdelijk boven ipv onder de ketting van de inslag) A. N. in de betekenis overblijven van.

*ÖL in: -der ston op koiken Gelek nen Öl op een Zieke koei: paf, bedrukt, verbouwereerd, onbegrijpend staan ​​kijken. De Werkman, 1880.07.05: Ze Stonden paf te kijken, gelijk’nen uil op een Zieke koe. 29/8/1884: d’ eetekoppen van Geuzen Stonden bedrukt te kijken, gelijk ‘nen uil op een Zieke koe. Schatten van Volkstaal, prof Am. Joos, Gent 1887: staan ​​kijken gelijk een uil op en kluit, een hond op een Zieke koe. De Werkman 1911.07.07: ’t ist droef, zei de ui en hij keek uit een ankergat naar een Zieke koe (Über de begrotingsbespreking in de Kamer van volksvertegenwoordigers).

OIREKOEK (Z.N.) 1 Omelette. De Werkman 1877.08.10: Hoe meer Eiers, hacke grooter eierkoek en hoe meer soldaten, hacke grooter bloedbad! 1882.05.05: …gisteren heb ik zeer wel in den Appel gesoupeerd aan nen eierkoek traf hesp (Het woord Omelett duikt in de Aalsterse Kranten een 1ste Keer op 1924 en wordt pas courant vanaf 1947). 2 veelal ovale luchtige koek traf slagroom ertussen (vanaf jaren 1960 populair doordat Industriële Bakkerijen ze ook Gingen aanbieden). ingrediënten: Eier, Suiker, zelfrijzende Bloem en natriumbicarbonaat (maagzout).

OIREMERT im: –# 039; t es dor pesies een oiremert. luidruchtig dooreengepraat; Pieter Daens in De Werkman van 14/11/1913: De Kamer (van Volksvertegenwoordigers) ist een Eiermarkt

OIREVES im: –oireves van ’t gat. scharrelei recht van de boerderij. (1 inf.)

OITBRINGEN (Ein in: –alles komt OIT al Mosten de kroin ’t oitbringen (O. A. H. Conscience).

OMTRENTJ im –ik ben der ni oon von omtrentj geweist. ik heb het niet aangeraakt, ik ben zelfs niet in de buurt geweest.

ONTSLOESTERD ontbolsteren (Zn.) in: –ontsloesterd loeipen. Slordig, niet opgekleed, halfgekleed. (Vgl. Tür zijn sloesters vallen. niets dan versleten kleren aanhebben – E. Claes)

* ontvanger recepiënt, waarin iets wordt opgevangen. Den ontfanger. Waer in het nieren-nat Tür 4 naeuwe gooten dropt, Jacob dichter Westerbaen, 1653. (A. N. vergaarbak traf afvoerbuis, waarin zich het water uit de dakgoot verzamelt).

OONBATEN als Dichter traf uitwerpselen instrijken. Philip De Paepe über Volkstypen en Vaartkapoenen 1905-1906, Gazet v Aalst 25/5/1974: …naast het pissijn lagen gewoonlijk een paar gendarms (= Stronten). Het war daar dat pompiers als een Kromme Verloes von een Mong De Wilde zich Gingen bevoorraden aan het water om tijdens hun oefeningen ’t een von ’t Ander materieel “aan te Baten”. Idem, in ‘Aalstersche Typen:’ … De Tijd dat de tremels van de kerrewagens dikwijls “aangebaat” Werden.

OONGOON weggaan in: –allei, gott’oon. kom nou, zeg.

OONLOEIPEN weglopen, maken dat je wegkomt.

PAKSKEN im: –t paksken van de sadoot : Ongewenste Zwangerschap inz. van (doortrekkende) soldaat. Zn. pakje: vrucht van een zwangere vrouw.

PALLAK 1. appelflap; Der Kolumnist Miel van ’t Berreputje in de Gazet van Aalst 22/7/1967: ‘Bakker de Cock op de Hoek van het Peperstraatje Bezat de kunst om palakken te Bakken, halfmaanse deegkladden gevuld traf appelmoes’. Vermoedelijk oorspronkelijk traf pruimenvulling, van pallak = pallook, prunum nanum, kleine Pruim, Dubbel zo groot als Sleedoorn, volgens botanicus R. Dodoens, 1608,
Algemeen gebruikte Begriff (De aldercleynste ronde Pruymkens Heeten … hier te lande Palloken). maar volgens Scheurmans (woordenboek 1865-1870) dan enkel nog in Brabant bekend. De werkman 21/8/1885: ‘100 pruimen voor 3 à 4 cens, dan moeten het pallakken zijn… DE PALAKKEN- d’Engelschmans koopen hier ’t Obst op, rijp von Groen, en ze maken er gelijen af ​​von likeur, welke alsdan in schone dooskes en fleschkes gedaan, naar Belgenland terugkeeren en duur moeten betaald Worden’. Bijnaam Erpenaars: palokeneters (een mand paloken zou op de kermis Mere 1930 1ste prijs bij het krulbolspel, gewonnen zijn Tür Erpenaars).

2. Snoepje van op kartonnetje (bv. Speelkaart) von vetvrij papier gestolde, gekarameliseerde suiker en boter.

PALOETER 1 bedrieger, Fopper (ook: Brussel). VGL WNT plamoteren: knoeien, minderwaardige zaken verkopen) Denderbode 1908.12.11: Wie heeft te Kortijk M. Plancqaeert gepaloeterd, gefopt, bestolen? ’t Ist dank aan sterben paloeters dat sozialistische De Bunne de Volkskamer kunnen binnen sluipen ist. De Werkman 26/5/21: De tijden zijn voorbij dat de eenvoudigen zich Lieten paloeteren door de zoogezegde Groote Heeren. 2 Ventje, kereltje (liefkozend tegen Art: a, menne kleine paloeter!)

Pařík paruik, pruik. (Ook: Leuven) (Fr. perruque)

PASJAKROET haveloze sukkelaar (Renaat Grassin, Brüssel Dichter: En neinë zaane veufde von tiende geus -DAT hangt af van de constiteus- vuult de klainste pasjakreut hem lek als ne reus ) (Vgl. P. Cache-croûte: knapzak; cach’ein croütes: Waals voor kruimelzoeker).

PATTATTEN (Z.N.) in: –ein pattaten gon afgieten. gaan plassen.

PEEEN (A. N.) de Gebrande en gemalen suikerijwortels, sterben Männer onder de koffie mengt, bitterpee. Ter es te Schleier peeën in de kaffe .

Peerd im: –Dienen kaan Liegen Gelèk een Peerd schoiten ; hij ist onverbeterlijke leugenaar een.

PEIMELne chocolatten peimel. een bruine vlinder

PEREPROSSER peerdenprosser: 1 handelaar in slechte paarden. 2 paardenviller. Denderb. 1875.06.09: Zekere Biebaut, Herbergier en peerdenprosser te Lede, verkeerde in staat van dronkenschap… de woestaard greep zijn peerdenprossersmes en plofte het in den buik van zijn slachtoffer. 3 dierenbeul. Werkm. 14/12/1877: De genadige Keizer Alexander (van Rusland), de Paus der Schismatieken, liet Polen aan zijn generaals en Kozakken über, gelijk een peerdenprosser den weerlozen afval aan Zijne uitgehongerde doghonden! 4 woesteling, onbehouwen kerel, sterben graag snijdt. Denderb. 19/5/1867: … dat het Artikel noch Tür recruten, noch Tür kwakzalvers, noch Tür peerdenprossers geschreven werden; daertoe is het breyn van zulke kwanten te waterachtig. (Vooral O. Vl. En Antwerpen)

PEREWACHTERKEN (Z.N.) witte Kwikstaart. (Ook. Koeiewachterken, bv Overmere)

PERTEKELIER uitzonderlijk (van Fr. particulier).

PESJONKELEN (A. N.), in de jaren 1960 in onbruik geraakte traditie. De gelovige zegde bij het binnenkomen van de Kerk. op Allerzielen, een aantal voorgeschreven gebeden op om een ​​aflaat bekomen, overledene zodat de ziel van een na de dood uit het Vagevuur zou Worden gered. Wanneer Männer ook nog voor een andere overledene een aflaat wilde verdienen, moest Männer eerst de Kerk weer uitgaan, om vervolgens opnieuw naar binnen te gaan en dezelfde gebeden nog eens te herhalen. het Wan Latijnse Portiunkula, waarmee een kleine Mariakapel aan de rand van het Italiaanse Assisi Werd aangeduid. Franciscus van Assisi herstelde de kapel in 1208 en ieder bezoek aan sterben kapel leverde een volle Portiunciula-aflaat op.

PIK A PIK wederzijdse verbitterde WROK. LVA 1893.10.12: Te Gent ist het pik-a-pik Tusschen de Groote Bakkerijen. Dagelijks afslag van prijs. Maar dat de moelje kon spreken! Männer moet het toch ieverst zoeken. (Ook Ältesten voorn. Antwerpen en Zuid-Brabant)

PIOLIEBEREN LetterL. vrijwielen, niet meetrappen op de fietspedalen, uitbollen. Abb: het gemakkelijk opnemen. Luk Kieckens, 1973: Ze doeng ne kir heer devoeiren, ver ne kir IET ihre te droiven, wie ze ne kir in gank kommen… Wollen Sie ver de Moment zen z’azoei een betjen auf ’t piolieberen. (Fr. pignon libre)

* PITJOE in Waasmunster: varken; Vandaar gt; ne Voile pitjoe ?

plaket 1. Oude zilveren Munt, in de 19de eeuw plaatselijk nog in gebruik (vgl. ‘ploot’De Werkman) 3/6 / Jahre 1910 Er Vielen druppels zo dik als Plaketten (Vgl. ’t Regent voiffrangstikken) WNT: in het Land van Aalst: hij spuwt Plaketten. hij lijdt enorme dorst 2. Erepenning in: – zen plaket toeinen: schandaal geven, aard tonen zijn ware. De Denderbode 22/2/1863: …heeft de vremde Toneelgroep op de schouwburgzael Dezer stad zoodanig haren plaket getoond, dat het meestendeel van de aenschouwers er Hunne volle goeste van hebben.

* PLASJERS im – bloeite plasjers. blote voeten, – in / me ein bloeite plasjers. blootsvoets

Plezanten im: –liever ne kleinen Plezanten als ne groeiten ambetanten. schertsend antwoord bij insinuatie op de geringe grootte van de Penis.

PLOOSTER 1 onwaardige, onzedige, ontuchtige vrouw, slet: een voil plooster, een smerige plooster. Vooral bij P. Daens, dikwijls in combi traf plodde, juweel, smodde, slijp (sleep = slonzige vrouw sterben langs de Straten sliert): 1876 ze knielen dikwijls voor een slechte vuil plaaster, sterben hun centen afluisten de plaaster Tat de kinderen dat vuil gelogen aanheffen (Über een Lerares sterben de Marseillaise aanleert) – ’t zijn ordinairs, beroeste pannen, vuile bliksems, rotte plaasters. 1883 ‘tAntwerpen aan de Statie een slecht kot gesloten, al de plaasters Werden mirêgenomen en de Register ook. – Smodden Die! Die plaasters! Die de drankkoten achternazitten. 1884 gestolen Tür dieven en moordenaars en afgrijselijke schelmen sterben dan in slechte kaveeten traf Gemeine plaasters Bombeâleken houden. 1885 D’Adviezen van Lucifer! De danskoten, daar vormen wij dieven, plaasters, juwelen, hellevegen! – ’t gestolen verschneidenopgebrast met die plaasters en juwelen en de prangdieven. 1886 dat wordt een plaaster, een onweerdig schepsel. – zulke dochter zou iedereenals een slons en een smodde, als ‘nen dwijl en een slijp, als een plaaster en schanddochter met de vingers gewezen hebben. 1910 Eensklaps trekt de plaaster een fleschje uit haren zak, ontkurkt het en werpt ’t wezen van Haren minnaar vol vitriool 1912 Wilmart (Een frauduleuze wisselagent) kocht voor zijn plaasters halssnoeren van 25,000 fr. 1914 Te Parijs blijft sterben moordenares Caillaux in ’t-Gefängnis als in een Hotel omdat Zīğ de vrouw, neen de plaaster war van eenen Minister. 1915 Overal zijn…Deftige vrouwen en plaasters van vrouwen.
Ook overdrachtelijk: 1879 als ’t mensdom naar sterben vuile plaasters der Vrijmetselarij hört gerade. 1881 Wat ist d’ ongeloovige samenleving een afgrijselijke vuileplaaster. 1882 De liberaalderij, Sire, ist een grote vuil plaaster! – Vuile Gazetten, de plaasters van losbandigheid. – De godinne van de Rede: een plaaster en een juweel! (Über de Begijnhofkerk, im Jahre 1793 door de Jacobijnen tot tempel van de rede omgevormd).
2 vrouw sterben tot vervelens toe van geen vertrekken weet, ongewenst aanklittende (zie ook: plekplooster) 3 vuile, slordige vrouw 4 (schersend): vrouw sterben zich niet laat bedotten, haantje de Voorste, vrijpostige: Goi zet oeik een plooster! 1974 ‘De Toeristische Ploosters’: voorlopers van Corum Alostum Imperiale, carnaval-actieve liedjeszangers.

PLOTEN de ploten: terreinafscheiding van betonnen Platte in palen Gevat. in: -oever de ploten loeren: gluren (vb bij de buren). -oever de ploten smoiten: sluikstorten.

POEITELKAFEIKEN kaberdoes, kaveet

POETJENLAP im –poetjenlap doen, e poeitejen lappen. een Beentje Lichten. Herman Brusselmans, Humo nr.3398: ‘Ik lapte een vrouw een pootje. Ze verloor bij Haar val een kunstgebit’.

* POITEGEREK (Gerek: slijmerig vocht Tür lichaam afgescheiden)

* SLAWELLE ; (. Vgl.ZN slaveddel, slavetse, verwant traf slet) De Dendebode 12/8/77:

SLEIP ; Slons, slet. Hij wurde overtuigd dat de slijp niet alleen met zijn geld weg war, maar daarenboven zou aanklagen en verraden (Uit vervolgverhaal ‘De Schelmstukken der Nihilisten’, LVA 1881.03.04). 1882 De processiën op Straat (In Rijsel) zijn verboden: slonzen en slijpen en Lappers en rakkers mogen op Straat komen, Ons Heer niet! 1885 Met verschneiden dat hij van de weeskens Hocker, kocht hij juwelen voor zijn slijpen, ja rozen sterben 12 fr. stuk kostegen. 1888 Zekere Ernestina H, een slijp en een schandaal, zondag voor diefte aangehouden. Zie ook. plooster VGL WNT: Schlaf: haveloze slonzige vrouw sterben langs de Straat sliert (Z.-O.-Vlaanderen)

SNAAS Penis (van snaars: knobbel, verharding?).

SOEP im: –Dienen Heit dor zen soep oitgeschept. hij het daar flink meegenomen heeft, ist er traf zijn gat in de boter gevallen, daar goed genesteld heeft zich.

SPAAVEN (Z.N.) spouwen: uit de mond Stoten, braken. De sommighe Coopliens zijn altemet Zoo Zee-zieck als zy t’ scheep comen, dat sy Schier al overgheven ende spouwen dat zu in haer lijf hebben (1602, Oost-Indische ende West Indische Voyagien) IckSpou dat ick u sie, ick Hebbe den buck al vol af. (G. Ogier, De 7 Hooftsonden, A’Damm 1682)

Spinnekop im: # 039; s meires drik, # 039; s noenens Gelik, # 039; s auves min – de Spinnekop Heit den doivel in. gezegd Tür bijgelovige bij het zien van een Spin

Spinnekop suikerwolk, Barbe à Papa.

SPINNEN (Z.N.) in: -fijn garen spinnen: slim te werk gaan: Ge moetj mich foin Goren spinnen ver OIT heer annen te bleiven (Doelende op een ziekte als kanker, de dood, …).

SPLEIT Erotik: vraalijk.

SPONS Erotik: vraalijk.

* Steik im: –ne Steik en een haat. een beetje; (Van topspel: ne Steik = De op de Hand genomen draaiende tol, weer op de grond brengen en een haat = Het slaan naar de tollen van de tegenstrevers in een Putje liggen sterben, na de eerste en een tweede steek, de nog Rosse op de Hand draaiende tol, dit alles binnen een cirkel van 2 3 Meter) erfüllt: een beetje (waarschijnlijk Tür Verwarring erfüllt:ne Steik en nen nood. een onnozelheid, klein werkje (zoals een steek met de naainaald en de draad aantrekken) ne Steik en een haat verwijst volgens sommigen ook naar de kleine afstand bij het bolspel, gemeten Tür een steek (lengtemaat) en een houten stokje als Meter.

STEIRFHOIS (Z.N.) in: –kosten op # 039; t steirfhois. Nutteloze kosten. weggegooid verschneiden. (Vooral Antwerpen, Waasland maar ook Nederl. Brabant)

STEIRK (Ein in: –de Boeter es steirk. heeft een scherpe, ranzige bijsmaak, Tür bewaring ontstaan.

STOEIT im: –ne stoeit teigenkommen. iets voor hebben; –da zen stoeiten. stommiteiten.

STOIF im: –pas‘et mir stoive poeiten, vorbei da ne kir mè stoif eiremkes. gezegd tegen Iemand sterben tegenwringt, tegenwerkt, te nauw ziet, waarvoor Männer geen goed kan doen.

STOILOEIG oogzweertje, ontsteking ooglid. in: -e stoiloeig Hemmen, van Teigen de keirk te pissen. Naar Algemeen oud volksgeloof, dat tegen een Kerk plassen bestraft wordt met een oogzweer (ook. Denderm .; VGL Maldegem, Buggenhout: pisoog, Zottegem: kerktichel). (? Van kerkstijl von Steil = Stern oog)

STRONTJONGEREN deugnieten, lastpakken, pubers, onvolwassenen.

STRONTVLIEG 1 gele strontvlieg von drekvlieg (Scathophaga stercoraria), sterben paart en Eitjes LEGT in koeievlaaien. 2 vleesvlieg. Verscheidene soorten leggen hun Eitjes in MEST van Dieren, leven zodat hun larven daarin kunnen.

STROOTLAMOIN straatloper, sterben niets uitvoert behalve op Straat rondhangen. Zie ook Zn. lamijn.

SUKKELSTRAATJE (Z.N.) -in ’t sikkelstrotjen zitjen, zen, woeinen. aan de sukkel zijn.

SUKRIOEN soort winter- von zomergerst. Fr. soucrillon.

SUPIET (Z.N.) kalfszwezerik. (Ook in Groningen)

Tauk im: zen Tauk Hemmen. genoeg gegeten hebben, voldaan zijn. A. de Zarate, Amsterdam 1598: zybegonst soo hittechlijk teten dat Männer Henne een taecke stellen moest Totter tijdt dat heurlieder Magier wederomme tot heur Selven quwam. van taak: voorgeschreven hoeveelheid.

TAUKEN in: -DAT een tokt ni: verzadigt niet, vult niet (voeding)

TEK ne Zotten tek: onnozelaar, dwaas; ne wieken tek: fragiel persoon

TEKKELIET waarsch. Afleiding van tekkelink, 1. tekkeleer: Jonge botvink, gevangen augustus-September. P.Daens, 25/5/1890: # 039;Hoort daar omhoog den Tekkeliet afgeven! En de Wedde! en dan de Wiewawaal. sterben vogels! (1 inf.) 2. (1 inf.°1917) Vrouwelijk persoon sterben niet al te snugger / bijdehand ist: # 039; Azoe # 039; n tekkeliet! # 039;

* Teppen Laagste nummer bij militieloting (tot 1909): Teppen trekken (ook: Teppen ien). De Lage nummers moeste militaire dienst doen.

TETJENLUL im: –ik stond dor ver tetjenlul. nodeloos (vgl. ik stond dor te schiljeren. ver jakkes () 1 inf) ook Brussel. Bijnaam. Franois Tetjelul (1 inf)

TETTENPLEKKER zelfklevend etiketje traf vaak weinig flatterende, vulgaire teksten op, tijdens dat carnaval op de kledij van het publiek, meestal op Borst (en) hoogte geplakt wordt.

THOEIPSCHOITEN 1 ineenstorten. 2 mislukken.

* TISJ 3 taats, koperen nagel bovenaan tol: De Cock en Teirlinck in Kinderspelen. 5, S. 142: Het bovenste deel (Van den Tol)Plattenteller ist. en toont in het midden een klein uitsteeksel, een Punt; rond dit uitsteeksel ziet Männer dikwijls. kringjes. soms eenige kringvormig geplaatste, glanz koperen nagels, tatsen von taatsen geheeten (Oost-Vlaanderen). In het uitsteekseltje slaat Männer ook dikwijls een taats (Oost-Vlaanderen, Land van Aalst); taats heeft een dubbel doel sterben: het is een sieraad; hij beschermt den oben als een medespeler er naar Kapt. 4 (veelal geschreven: tiche): schacht von bovenleder van de Schoen (Fr. tige: schoenschans)

TISJEN aaneenstikken van schoenschans en zool

TISJENFABRIEK, TICHENFABRIEK fabriek van schoenschansen (bovenleders); deze ‘tichen‘ Werden door de Schoenmakers aan de zool ‘getisjt’

TREKHOL tochtgat, trekgat, plaats in een steeg, op een straathoek waar het sterk tocht.

TREKHOL trekgat, tochtgat, tochtige plaats; Het Recht 4/12/10 (über Nachtdienst op goederentreinen): Een ‘schoon Hôtel ‘waar Männer door de trekgaten de eene Välling op de andere opdoet.

AUSFLUG im: –sterben Heit van heer leven oeik Schleier trippen g’Eiten. heeft veel mannen gehad (ook: Schleier sossis ’Eiten )

TRISJKEN klutsje, trank restje in Glas fles (VGL 1588: trits: klein koekje; triezel, trisseltje. kleinigheid, ziertje gt; wat door de trijzel = zeef valt). (Ook: Brussel und Umgebung)

TWIE im: –na zegd’het in twie Kieren. nu pas ist je uitleg volledig, zeg je het allemaal.

VAREIS (Z.N.) Pullover. (Fr. vareuse: jekker, kiel, uniformjas).

* VASTELAUVEND (Ook: Maastricht)

VERDESTREWEIRD > Beschadigd, verwaarloosd, verkommerd, wanordelijk; in de betekenis van vernietigd Gewestelijk zowel in Nederland als in Vlaanderen. Breekt en verdestrueert de afgodsbeelden, maakt wywater, besproeit er de TEMPELS michê. Gezelle (1864).

VERHOORD (A. N.) verhaard: van de wind droog, schraal als Haar geworden, uitgedroogd.

VERLOEREN (Z.N.) in: -‘t es verloeren gezeid: vergeefs, nutteloos, vruchteloos gezegd; geen lievemoederen aan daar helpt. ’t zal verloren gezegd zyn dat de Gouverneurs, distriktcommissarissen … en al de Ambtenaren sterben van de liberaters geplaetst zyn, zich niet met de verkiezingen mogen bemoeien. (Den Denderbode 1855). -’t es verloeren geschoifeld: ’t Zal niet Baten, hij zal geen gelijk halen. Hij zocht zich wel Tür advokatenstreken uyt den Schlacke te trekken, maer ’t war verloren geschuyfeld. M. Van Wambeke Hield zijn tegenstrever von d’ooren große … (Den Denderbode, 29/12/1867). t ‚verloren gefluijt als t’paard niet pissen wil, (Lijst erfüllt ‘Proverbia Belgica’ van Jan Gruytere (Gruterus), 1611).
Vgl: ik spreik hier Teigen de mieren: niemand hört gerade naar mij.

VERNOEZJELEN (Z.N.) vernozelen ( van nozel: Schuldig, slecht): in slechtere staat brengen von geraken; Schade toebrengen, bederven. Gij moet ons spel niet vernoozelen traf al uw vieze toeren. Schuermans (1870). En Dat Huus ist stiif vernoozelt traf onbeweund en iele te stane, ( 1907); Zijn voornemen (war). zijn GENOT de oogen alleen op te nemen erfüllt, wollen hij vooral Knall het war maagdeken te vernoozelen, Stijn Sreuvels, De Vlaschaard (1907); De pogingen om het mooie Marieke te vernozelen, mislukken Keer op keer. Wouter Deprez in Schellekes 2002’t Ist ‘n stoeme gete, da ze mo ni Peist da ze hiere de waore ga vinden en Tonne nog ne ki unze relaotie ga vernozelen vo ne doeme Vint, da ze momijn klote kan kussen, Gringo in Temptation Island 2003

VERRAUFELD gerafeld, uiteengevallen in draden, meer bepaald aan de rand van een weefsel. L. P. Boon, Boontje Oudjes, 1960.07.04: …aan dit lichaamsdeel war de te lange broekspijp smodderig en verrafeld.

VERZJOZJE im: –e gezicht Hemmen ver een verzozje op te gieten, van te gieten. een lelijk aangezicht hebben.

VESCHOEIT (Z.N.) in: -den blaan veschoeit (insj) oithangen: ‚zich eens te goed doen, niet werken, feestvieren, pret maken, het er van nemen (vb bij afwezigheid van superieuren, toezichthoudenden E. D..); bv. Wa gon vandenauvend den blaan veschoeit insj oithangen. gaan vanavond een goeie fles wijn offen trekken von een stevig biertje kraken wat ‚knabbeldingens‘ bij erfüllt. Van: blauwe linnen voorschoot.
Als de Oorlogh gasten
Nu meynden traf gewelt den Vyant aen te tasten
Soo waeren ‚t maer alleen vier Wagens met een Bruyt
Op elcken Wagen Stapel den Blauwen voor-schoot uyt
De krijghs-mans souden wel sulck‘-eenen Vyant kussen
Sy Losten al te mael tot Haerder eer ‚Hunn‘ Bussen.
Den Eerelycken Pluckvogel, minneliedjes van Livinus Van Der Meeren, Antw. 1669.
Laet verdriet en kommer varen, Steekt Höhle Blauwen voorschoot uit! H. Conscience, De Gierigaerd 1852.

VESCHOEIT, VESCHUT im: –wa gon van den auvend ne kir den blaan veschut oithangen. onszelf eens goed ‘swoinjeren’ in huiselijke kring.

VLOEINgezetj zèn Gelek als de kiezer mich vloein. in zijn nopjes, fier zijn omwille van een kleine attentie.

VODDEKEN (Z.N.) in: –e voddeken rond zen tong Hemmen. lispelen.

voegel Erotik: maanlijk.

VOESJKOMMEN (EIN.) (Ge zè van nen Herink voesjgekommen ): Voortkomen, afstammen, spruiten uit.

VOILMAUKERKEN Tompoes (rechthoekig gebakje bestaande uit twee lagen bladerdeeg traf ertussen ‘crème patissièRe’ en bovenop suikerglazuur). Het eten ervan vraagt ​​enige behendigheid.

VREIF (EIN.) de vreif van anne voet. wreef, hoogste deel van bovenzijde voet.

WAZJEN onnozelaar. (Zie ook: WIZJEWAZJEN )

WEIVENBILDINK Flatgebouw Esplanade wegens de verscheidenen Weduwen in de appartementen

* WIZJEWASJ, WIZJEWAZJE onnozele (17deE: wisewasje: 1. Bagatel, gekunsteld praatje, geharrewar 2. dom, onbenullig persoon, 1870, Antwerpen en Brabant: persoon traf onstandvastig karakter, lichtzinnig, onbezonnen persoon) E. Och, moeder Lief ‚k ben immers zoet. R. Ist ‚t myn schuld, dat ik kakken Moet? C. Die dorst heeft, mag die niet eens drinken? Cristyn (moeder van E. R. en C). Ik raak voorwaar myn zinnen kwyt, Met deze Kleuters en pistasjes, Een bescheeten wisjewasjes TRITS, (Blijspel van Abraham Alewijn, 1721). Wat, djanter! wat is het dan. wissewasjen als ik ben! geloofde Zoo wel in het menschelyk hart te Konnen lezen ik sterben; ik, sterben Zoo veel zag en ondervond toen ik eight jaren en zeven maenden als Drago in oostenrykschen dienst WAS — ik zou meine hier misgist hebben? (J. F. Willems, 1811).

woerd im: –e woerd van ne Kilo. moeilijk, geleerd, ingewikkeld, intellectualistisch, hoogdravend woord. Korporale expressie, een woord van twintig Kilo om te zeggen dat …. Lieven Matthieu, De Voorpost 1975.07.03.

ZEN (Z.N.) in: –ge zet er ni vb: Nie, ge zet er ni, Maaneken. Je hebt ongelijk, gebogen verkeerd bezig.

ZEP costumen van Aalst, 1608: Männer gebiedt telcken Halb meerte…zijn grachten, sijpen en riolen te kuysen.

Zichten im: –’t zichten. sinds dan (’t zichten Saum ek Saum ni mir gezing )

ZJENEMIEKES_KERIKHOF oud kerkhof (tot 1864) aan de Dendermondsesteenweg rechts voorbij de ‘Konker’; naar eerste begraving (1784) van Joanna Marie (= Zjennemie) Meert.

ZJIELDROIR (Z.N.) in: –veroitgoon Gelek als de zjieldroirs; veroitgoon op zen zjieldroirs- achteruitgaan, achteruitboeren. LVA 27/5/1888: Napoleon… Hij moest Keizer zijn, en später Keizer en Paus; maar dan begon hij achteruit te krabben gelijk de zeeldraaiers. Denderb. 21/11/1889: Het waar dat Frankrijk, Hoewel het in bezit ist van het Algemeen stemrecht, vooruitgaat op zijn zeeldraaiers. Volksst. 1896.05.09: Ge ziet dat de Daensisten Beginnen familie te zijn van de zeeldraaier; achteruitgaan en altijd achteruitgaan, is dat voor Henne aanwinnen en zegepralen. R&V 1908.07.06: Ist ’t dan te verwonderen, dat de Katholieke partij et zulke Goede strijd-elementen vooruitgang doet, op zijn zeeldraaiers?

ZWADDER -in: – op zwadder zen, goon: op Zwier gaan. LVA 25/12/1891: luie compagnie De gasten der, die pladderen en zwadderen in de Gemeine kroegen en er dikwijls veel geld van verdachten oorsprong verteeren. O. Tieger 15/1 / 1929-1915 / 1 // 1930, vervolgverhaal: Lowie de Jef op zwadder, von de geschiedenis van twie olsjtersche motosiklisten. De Spuiter 1972.01.12: Zehn zeeje wel OIT ein bedde kennen, hein! Menier za van te neigen ieren wel in zen pompiersklodden rondloeipen, en ne gielen dag op zwadder, des Zen lank leven. Voorp. 13/2/1981: En al pertank Dasse zeggen Dagge meh kersennen ni booiten ’n meigt, ik ging (Meh Vastelaoved) op zwadder. (Ook: op maroede goon)

ZWERT im: –zwert kaat. koudasfalt, gebruikt ter Herstelling van beschadigd wegdek (Tür ex-schepen E. Hooghuys ’rustinnekes‘ genoemd)

ZWOIGORD (1 inf. 96 j) onvoldoende Gedroogde, tabak groene waarbij Männer voortdurend aan de pijp von sigfaret moet Lürken om ze Brandend te houden, waardoor je niet kon praten (en dus moet zwijgen).

Quelle: www.oilsjtersen-diksjoneir.be

Weiterlesen

  • Intelligenztests

    Intelligenztests Galton Versuch Binets Erfolg Der erste erfolgreiche Test der Intelligenz von Französisch Psychologe Alfred Binet in Antwort auf eine Anfrage von Französisch öffentliche Schule entwickelt wurde …

  • Reynolds Türkei Tasche Bewertung

    Ein besserer Weg der Türkei zu kochen? Die Tasche 19. November 2013 47 Kommentare Snack Mädchen muss alle ihre kanadischen und anderen internationalen Lesern entschuldigen. Sie ist mit dem amerikanischen Thanksgiving-OBSESSED ….

  • 1 Digital Schwangerschaftstest

    DIGITAL Schwangerschaftstest mit Smart Countdown Wenn Sie unregelmäßige Zyklen haben, sollten Sie für Ihre längsten Zyklus in den letzten Monaten vor der Prüfung zu ermöglichen. Wenn Sie keine Ahnung, wann Ihre Periode haben fällig ist, …

You May Also Like

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.

2 × 2 =